#4 Tussen rendement en trots: wie bouwt het beste werkgebouw

Een van de dingen die me het meest is bijgebleven uit mijn tijd als supervisor op bedrijvenpark Oudeland in Lansingerland (2017–2022), is hoe verschillend plannen kunnen zijn, zelfs als de opgave vrijwel identiek is. Twee kavels, vergelijkbare programma’s, zelfde regels. En toch een totaal ander resultaat. Dat verschil zat zelden alleen in het ontwerp. Het zat vooral in het type initiatiefnemer. 

Aan de ene kant werkte ik met ontwikkelaars: professionele partijen die bouwen voor de markt. Ontwikkelaars met een focus op haalbaarheid, rendement en flexibiliteit. Gebouwen moeten aantrekkelijk zijn voor een brede doelgroep, nu en in de toekomst. Dat vraagt om slimme, efficiënte oplossingen. 

Aan de andere kant stonden ondernemers die voor zichzelf bouwden, met een heel ander vertrekpunt: dit wordt hún plek. Hier gaan ze dagelijks werken, hier ontvangen ze klanten, hier bouwen ze aan hun bedrijf. En dat zie je terug. 

De verschillen die ik zag, zaten grofweg in vier dingen: kwaliteit, karakter, tijdshorizon en flexibiliteit.

Gebouwen van ontwikkelaars zijn vaak rationeel en doordacht. Door de focus op brede inzetbaarheid zijn ze bovendien flexibel en daardoor in potentie langdurig bruikbaar voor verschillende gebruikers. Tegelijkertijd zie je ook de keerzijde: een zekere generiekheid; veilig en efficiënt, maar vaak zonder uitgesproken identiteit. En niet zelden worden keuzes gemaakt voor materialen die passen bij een kortere investeringshorizon, wat invloed heeft op hoe lang een gebouw kan meegaan. 

Bij ondernemers zie je vaker het tegenovergestelde. Meer eigenheid, meer uitgesproken keuzes. En misschien wel het belangrijkste: trots. Het gebouw als visitekaartje én als onderdeel van hun bedrijfsvoering. Vaak ook als investering voor de lange termijn, soms zelfs als pensioen. Dat leidt regelmatig tot het gebruik van hoogwaardigere materialen en meer aandacht voor detaillering, onderhoud en buitenruimte. Tegelijk maakt die sterke eigenheid een gebouw soms minder flexibel voor andere gebruikers in de toekomst. 

Het zou te makkelijk zijn om hier een winnaar aan te wijzen. Want dit beeld gaat niet altijd op. Er zijn ontwikkelaars die zeer betrokken en kwalitatief bouwen, en ondernemers die juist scherp op rendement sturen. Maar als tendens is het verschil opvallend consistent. 

Wat mij intrigeert: wat betekent dit voor de werkgebouwen die we uiteindelijk maken? Als rendement de boventoon voert, ontstaan andere plekken dan wanneer trots en eigenaarschap leidend zijn. En juist nu werkfuncties steeds vaker verweven raken met wonen en andere stedelijke programma’s, wordt dat verschil zichtbaarder én relevanter. Het beïnvloedt direct de kwaliteit, uitstraling en levensduur van onze dagelijkse leefomgeving. 

De opgave zit wat mij betreft niet in het kiezen tussen deze twee perspectieven, maar in het beter verbinden ervan. Hoe zorgen we dat de langetermijnwaarde van een plek net zo zwaar meeweegt als de korte termijn haalbaarheid? En hoe organiseren we betrokkenheid en trots, ook in projecten die niet voor eigen gebruik worden ontwikkeld? 

Want uiteindelijk gaat het niet om wie het beste werkgebouw bouwt, maar onder welke condities die kan ontstaan.

Valerie Koppelle. Als architect en stedenbouwkundige ben ik gefascineerd door de gebouwde omgeving, en vooral door de sociale impact die gebouwen en stukjes stad hebben op mensen.

In een reeks posts deel ik mijn observaties over werken in de stad. Dat onderwerp klinkt misschien niet direct spannend of sexy, maar ik geloof dat een andere blik - met wat meer liefde en aandacht, een meer menselijke benadering - het beeld kan kantelen. Hopelijk ontstaat zo meer waardering én meer ruimte voor kwaliteit en zorgvuldige inpassing. Op dit vlak laten we nog veel kansen liggen. Het is tijd om daar verandering in te brengen.

Volgende
Volgende

Rotterdam Zuid: waar waardevolle plekken ontstaan door dialoog en ontmoeting